De geschiedenis van het CFK |
Toen in Nederland het betaalde voetbal in 1954 werd geintroduceerd, was van een professionele bedrijfstak nog lang geen sprake. Dat veranderde enigszins in 1961, toen de betaalde voetballers een eigen vakbond kregen: de VVCS. Langzaam stegen ook de inkomens. Van het inkomen dat enkele toppers een gering aantal jaren verdienden profiteerde vooral de fiscus die in die jaren 72% inhield. Om die reden werd aan het eind van de jaren zestig door een aantal mensen rond de meest kapitaalkrachtige club van dat moment, Feyenoord, gezocht naar een alternatieve fiscale regeling voor voetballers. Doel was om een deel van het inkomen tijdens de carrière (liefst fiscaalvriendelijk) opzij te kunnen zetten voor na de carrière. De toenmalige adviseur van Willem van Hanegem, Martin Snoeck, trad in overleg met fiscale adviseurs (het toenmalige Moret, Gudde, Brinkman & Co) om te onderzoeken hoe Van Hanegem een deel van zijn inkomen fiscaal gunstig opzij zou kunnen zetten. Op basis van het advies van Moret werd besloten dat dit welicht een idee zou zijn voor álle spelers van Feyenoord en eigenlijk voor het hele betaalde voetbal. Feyenoord en de KNVB reageerde enthousiast en uiteindelijk werd contact gezocht met het Ministerie van Financiën om te praten over een fiscale regeling. Juist in die jaren werd deze problematiek steeds actueler, omdat door de successen van Feyenoord en Ajax er steeds meer verdiend werd. Waarom zouden beroepsvoetballers een voorkeursbehandeling moeten krijgen ten opzichte van andere Nederlanders? Niemand hoefde toch medelijden te hebben met mensen die 60 of 70 procent van hun inkomsten naar de fiscus moeten brengen? Daar zat wat in, maar om een aantal redenen was het beroep van voetballer toch niet te vergelijken met andere goed betaalde functies in de maatschappij. Een voetbalprof kon slechts een korte tijd zijn beroep uitoefenen. In een periode dat anderen door studie of werkervaring een solide basis legden voor een maatschappelijke loopbaan, verdiende de profvoetballer in korte tijd wellicht een heel aardig salaris, maar vanwege het hoge belastingtarief van 72% bleef daar betrekkelijk weinig van over. Daarnaast dreigde altijd een vroegtijdig einde van de carrière, bijvoorbeeld door blessures. Een andere overweging was dat er een uittocht dreigde van Nederlandse toppers naar het buitenland, wat het totale Nederlandse voetbal zou treffen. Uiteindelijk besloot Staatssecretaris van Financiën Grapperhaus dat er een ‘spreidingsregeling’ moest komen, waardoor een tijdelijk hoog inkomen verspreid over een aantal jaren opgenomen zou kunnen worden. Voorwaarde was dan wel dat zo’n regeling voor iedereen verplicht zou zijn en dat het fonds door een centrale instantie als de VVCS of de KNVB beheerd zou moeten worden. In 1970 deed Karel Jansen, secretaris van de VVCS, melding van de wijze waarop de VVCS de regeling aan het voorbereiden was. Het definitieve akkoord werd uiteindelijk op 30 november 1972 getekend door de nieuwe staatssecretaris van Financiën Scholten. De overbruggingsregeling heeft door de jaren heen enkele wijzigingen ondergaan, maar de uitgangspunten zijn altijd dezelfde gebleven. Het vermogen onder beheer is gegroeid tot circa € 590 miljoen, terwijl er momenteel 2.180 deelnemers zijn. |
|


